Gemeente



PROCEDURE

De procedure voor de opmaak van de zoneringsplannen is vastgelegd in het besluit van 10 maart 2006 houdende de vaststelling van de regels voor de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichtingen en de vaststelling van de zoneringsplannen. Sinds 10 juli 2009 is er voor elk van de 308 gemeente in Vlaanderen een definitief zoneringsplan vastgesteld. Het vastgestelde zoneringsplan is geldig voor een periode van 6 jaar en kan (in beperkte mate) herzien worden n.a.v. de opmaak van de volgende bekkenbeheerplannen. Deze bekkenbeheerplannen werden op 30 januari 2009 door de Vlaamse Regering goedgekeurd. (publicatie in het Belgisch Staatsblad op 5 maart 2009). De herziening ervan zal gebeuren volgens de timing opgenomen in het decreet integraal waterbeheer.

Ontbrekende clusters of fouten in het zoneringsplan (zuiveringsplicht/aansluitingsplicht)

Voor gebouwen die nog niet werden opgenomen in het huidige zoneringsplan gelden dezelfde voorwaarden als de gebouwen die gelegen zijn in het individueel te optimaliseren buitengebied (rode cluster). Wanneer er echter toch aansluiting op de afvalwaterriolering mogelijk is, dan is het uiteraard aangewezen om op het collectieve afvalwaterrioleringsnet aan te sluiten. Vermits het vastgestelde zoneringsplan geldig is voor een periode van 6 jaar kunnen in beperkte mate aanpassingen gebeuren bij de opmaak van de volgende bekkenbeheerplannen. Tijdens deze herziening kunnen de ontbrekende of foute clusters dan mee worden opgenomen.


TAKEN EN ACTOREN

De gemeente heeft als taak de aanleg en het onderhoud van rioleringen, inclusief het toezicht op de correcte huisaansluiting, en, indien zij hiervoor kiest, de aanleg en het beheer van de individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater. In het buitengebied dient het afvalwater door de gemeente te worden ingezameld tot aan het overnamepunt gemeente-gewest en dit volgens de timing die in onderling overleg tussen de gemeente/rioolbeheerder en het gewest zal vastgelegd worden in het gebiedsdekkende uitvoeringsplan.

Bij de opmaak van de zoneringsplannen is reeds getracht om invulling te geven aan de vraag om de scheidingslijn tussen gemeentelijke en bovengemeentelijke infrastructuur vast te leggen. Deze scheidingslijn bepaalt wie verantwoordelijk is voor de sanering of met andere woorden wie voor de aanleg van de riolering moet instaan. Bij de vaststelling van de scheidingslijn zijn twee termen van belang: de omslagwaarde en het overnamepunt.

  • De omslagwaarde is de waarde die per gemeente bepaald werd en die de minimaal ingezamelde vuilvracht aangeeft voor er sprake kan zijn van een gewestelijke saneringsopdracht.
  • Het overnamepunt is het punt waar, op basis van de zoneringsplannen, geoordeeld wordt dat de gemeentelijke saneringsopdracht eindigt en de bovengemeentelijke saneringsopdracht begint. Dit punt geeft dus de fysieke scheiding weer tussen gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsinfrastructuur.

De bepaling van de scheiding tussen de gemeentelijke en de bovengemeentelijke saneringsopdracht is in het buitengebied gebaseerd op volgende principes:

  • de functie van de leiding is bepalend: inzameling is een gemeentelijke opdracht, transport een bovengemeentelijke opdracht;
  • de omslagwaarde is gelijk in geval van verder transport dan wel lokale zuivering (KWZI);
  • een aaneengesloten bovengemeentelijk netwerk wordt gerealiseerd. Dit houdt in dat de lokale inzameling die plaatsvindt langs hetzelfde tracé in principe een gemeentelijke opdracht blijft.

Voor de aanduiding van de overnamepunten zal vertrokken worden van het definitief zoneringsplan. Alle clusters die zijn toegewezen aan het collectief te optimaliseren buitengebied worden in beschouwing genomen en de daaraan gekoppelde vuilvracht wordt bepaald. De locatie van het overnamepunt wordt bepaald door de specifieke situatie:

  • indien er binnen de cluster waar de omslagwaarde is overschreden één of meerdere lozingspunten aanwezig zijn binnen de cluster, die elk een vuilvracht vertegenwoordigen die hoger is dan de omslagwaarde situeert het overnamepunt zich ter hoogte van de lozingspunten;
  • indien er zich binnen de cluster, waar de omslagwaarde is overschreden, een knooppunt bevindt van strengen waar de omslagwaarde wordt overschreden, dan situeert het overnamepunt zich ter hoogte van dit knooppunt;
  • indien er binnen de cluster, waar de omslagwaarde is overschreden geen lozingspunt of knooppunt aanwezig is waar de omslagwaarde wordt overschreden, situeert het overnamepunt zich op het einde van de cluster.

Bij de bepaling van de overnamepunten zal wel rekening gehouden worden met het volgende:

  • bij de latere opmaak van de scenario-analyse of het technisch plan voor het desbetreffende project is het wel mogelijk dat er omwille van technische redenen nog een aanpassing volgt;
  • de aanduiding van het overnamepunt ter hoogte van het lozingspunt doet geen uitspraak over de kwaliteit van het lozingspunt. Een optimalisatie (afkoppeling van parasitair water, hemelwater, …) van de aanvoerende rioolstreng wordt niet uitgesloten.

Indien de gemeente of rioolbeheerder ervoor opteert om de individuele saneringsplicht op zich te nemen, behoort ook de aanleg, het onderhoud en het beheer van de IBA's tot haar takenpakket. Voor de aanleg van IBA's door een gemeente of een rioolbeheerder kan een subsidie van 2250 EURO per installatie of per woning worden verkregen van het Vlaamse gewest. De voorwaarden en de procedure zijn opgenomen in de door de Vlaamse Regering op 9 mei 2008 goedgekeurde wijziging van het subsidiebesluit voor de aanleg van rioleringen en de bouw van KWZI´s.


TIMING

Artikel 2.3.6.4 van Vlarem II stelt dat de sanering van het collectief te optimaliseren buitengebied moet gebeuren binnen de timing zoals die in het uitvoeringsplan is bepaald. Bij het bepalen van deze timing moet men rekening houden met het feit dat het uitvoeringsplan een realistisch plan moet zijn en dus haalbaar moet zijn naar financiering, zowel voor het gewest als voor de gemeente, maar ook dat de bepalingen van de Europese kaderrichtlijn Water moeten worden nageleefd. De kaderrichtlijn Water bepaalt dat een goede kwaliteit in alle oppervlakte- en grondwaterlichamen moet worden bereikt tegen einde 2015. De maatregelen die hiervoor noodzakelijk zijn, zullen worden opgenomen in een maatregelenprogramma dat deel zal uitmaken van de stroomgebiedbeheerplannen. De stroomgebiedbeheerplannen zullen uiterlijk 22 december 2009 worden vastgesteld. De maatregelenprogramma's zullen ondermeer de maatregelen moeten omvatten ter voorkoming of vermindering van verontreiniging door puntbronnen en door diffuse bronnen.
De projecten ter realisatie van de sanering van het buitengebied zullen deel uitmaken van de maatregelenprogramma's. Het is vandaag nog niet duidelijk of alle nog te realiseren projecten noodzakelijk zullen zijn voor de realisatie van de doelstelling van de kaderrichtlijn Water. In de eerste ontwerpen van de maatregelenprogramma's zijn de projecten voor de sanering van het buitengebied opgenomen als potentiële aanvullende maatregel. Dit wil zeggen dat zij uiterlijk eind 2027 moeten gerealiseerd worden.


SCHEIDEN VAN AFVALWATER EN HEMELWATER

De aan te leggen riolen moeten conform de Vlarem wetgeving steeds gebeuren volgens een gescheiden stelsel en conform de principes van optimale afkoppeling. Dit houdt bij de aanleg van riolering in:

  • voor bestaande gebouwen in een gesloten bebouwing is de scheiding tussen het afvalwater en het hemelwater, afkomstig van dakvlakken en grondvlakken, enkel verplicht indien daarvoor geen leidingen onder of door het gebouw moeten worden aangelegd;
  • voor bestaande gebouwen in een (half)open bebouwing is een volledige scheiding van het afvalwater en het hemelwater verplicht.

Voor nieuwe gebouwen of bij grondige verbouwingen is een volledige scheiding van het afvalwater en het hemelwater en de bouw van een hemelwaterput steeds verplicht.

Het algemene uitgangsprincipe is dat hemelwater op volgende wijze (in volgorde van prioriteit) wordt aangewend:

  1. opvang voor hergebruik;
  2. infiltratie op eigen terrein;
  3. buffering met vertraagd lozen in een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
  4. lozing in de regenwaterafvoerleiding (RWA) in de straat.

Slechts wanneer de beste beschikbare technieken geen van de voornoemde afvoerwijzen toelaten, mag het hemelwater geloosd worden in de openbare riolering.